In 1550 vaardigde Keizer Karel V in de Nederlanden het Bloedplakkaat uit. Een plakkaat was een verordening waardoor regeringsvoorschriften ter kennis van het volk werden gebracht. Met deze Bloedplakkaat werd het drukken, schrijven, verspreiden en bezitten van ketterse boeken en afbeeldingen, het bijwonen van ketterse bijeenkomsten, het prediken van een tegendraadse religie en het huisvesten van ketters, met de doodstraf en inbeslagname van alle goederen bestraft.

Titian_-_Portrait_of_Charles_V_Seated_-_WGA22964
Keizer Karel V

De lokale machthebbers, zoals de adel en de stadsbesturen, bleven weliswaar overwegend katholiek, maar stonden een veel gematigder beleid voor om ongeregeldheden met de grote protestantse minderheid te voorkomen.
Op 25 oktober 1555 deed Keizer Karel V troonsafstand ten voordele van zijn zoon Filips II. Twee jaar later sterft hij in Spanje.

King_PhilipII_of_Spain
Koning Filips II

In 1559 vertrekt koning Filips II voorgoed uit de Nederlanden naar Spanje, waar het koningschap zijn aandacht opeiste, en benoemd zijn halfzus Margaretha als landvoogdes der Nederlanden.

MargarethevonParma02
Margaretha van Parma

Aan haar zijde had Filips zijn vertrouwde topadviseur bisschop de Granvelle benoemd. Deze had Karel V ook al gediend. In 1561 werd deze benoemd tot kardinaal-aartsbisschop van het nieuwe aartsbisdom Mechelen. Vanaf dit moment werd hij door de Nederlandse adel steeds meer beschouwd als een exponent van de gehate regering.

Anthonis_Mor_006
Kardinaal de Granvelle

Margaretha kwam steeds meer in de knel tussen Filips II enerzijds en de plaatselijke adel anderzijds. In 1564 was Granvelle niet meer te handhaven en Filips stuurde hem naar de Franche-Comté, waar hij vandaan kwam. Margaretha’s eigen houding in godsdienstige kwesties was waarschijnlijk relatief mild, maar Filips II was nog onverzettelijker dan zijn vader.
In oktober 1565 schreef koning Filips II enkele brieven vanuit zijn verblijf te Segovia aan landvoogdes Margaretha van Parma in antwoord op de door Egmont overgebrachte verzoeken van de hoge adel.
Deze brieven, waarin Filips de onverkorte tenuitvoerlegging van de ketterplakkaten had bevolen, waren in december 1565 aanleiding tot de oprichting van het Verbond der Edelen, een verbond van de lagere adel, voornamelijk uit de Zuidelijke Nederlanden, dat de opheffing vroeg van de Inquisitie en de verzachting van de plakkaten met maatregelen tegen de ketters. Het werd aangevoerd door Hendrik van Brederode, geflankeerd door de graven Floris van Culemborg en Lodewijk van Nassau,  een jongere broer van Willem van Oranje. Zij kanaliseerden de toenemende onvrede onder de lagere en middelgrote adel met protestantse sympathieën. Zij wilden naar het voorbeeld van de Franse Hugenoten de krachten bundelen van al wie godsdienstvrede voorstond.
De kopstukken van de hoge adel – graaf Lamoraal van Egmont, de graaf van Horne, Filips van Montmorency, baron Floris van Montigny, de graaf van Hoogstraten, Antoon II van Lalaing en Willem van Oranje – hielden zich aanvankelijk afzijdig. Willem van Oranje stond in contact met het Verbond via zijn broer Lodewijk van Nassau.

Naast de vrees voor de invoering van de Spaanse inquisitie en afkeer van strenge godsdienstplakkaten, speelde voor de adel het streven naar het behoud van de eigen positie een rol. Vele edelen waren verarmd en door de opkomst van ambtenaren als uitvoerders van het bestuur van hun invloed beroofd.
Famien_Strada_Histoire-Smeekschrift_der_Edelen-ppn087811480_MG_8892-T1p287.tif
Op 5 april 1566 verschaften zo’n 200 edelen, afkomstig uit alle delen van de Nederlanden, zich toegang tot het Paleis op de Koudenberg in Brussel en overhandigden het Smeekschrift der Edelen aan landvoogdes Margaretha van Parma. Dit veroordeelde de Inquisitie in felle bewoordingen en dreigde nauwelijks verholen met gewapende opstand als er geen einde zou komen aan de vervolging. Nochtans keerde het smeekschrift zich voor het overige niet tegen het gezag van koning, regering of kerk.

Bij die gelegenheid zou Karel van Berlaymont tegen Margaretha de beroemde woorden gezegd hebben:

“N’ayez pas peur Madame, ce ne sont que des gueux”
(“Wees niet bang mevrouw, het zijn slechts bedelaars”)

Daarop namen de edelen dit over als erenaam.

Vive le geus

Gedurende de tijd die nodig was om met Filips in Spanje te communiceren over het smeekschrift, schortte Margaretha van Parma de vervolgingen op, wat door de lokale bestuurders ruimer werd geïnterpreteerd dan zij bedoeld had. Naar aanleiding hiervan keerden gevluchte protestanten terug, waarna zij tussen mei en augustus begonnen met hagenpreken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s