Vandaag, dinsdag 29 september 2009, is het precies 25 jaar geleden dat op 29 september 1984 in Lubbeek de op 20 oktober 1899 in Antwerpen als Jan-Albert Goris geboren Vlaamse schrijver Marnix Gijsen op 84-jarige leeftijd overleed.

 

 

Zijn pseudoniem verwijst naar Marnix van Sint Aldegonde en de achternaam van zijn moeder, Gijsen.

Marnix Gijsen begon zijn letterkundige carrière als dichter bij de expressionistische groep rond het literair tijdschrift Ruimte. In 1920 debuteerde als dichter met “Loflitanie van de Heilige Franciscus van Assisi”. In die periode had hij o.m. contacten met Paul van Ostaijen.

Gijsen promoveerde in 1925 aan de Katholieke Universiteit Leuven tot doctor in de geschiedkundige en zedenkundige wetenschappen en zette zijn studies verder voort in Freiburg, Parijs (Sorbonne) en Londen (London School of Economics).

Hij schreef over o.a. Bredero, over Karel van de Woestijne en over Karel van den Oever. Ook schreef hij reisindrukken. Belangrijk was vooral zijn studiereis naar de Verenigde Staten waar hij de stof opdeed voor het reisverhaal “Ontdek Amerika” uit 1927. In het Suske en Wiskealbum "De windmakers" (1959) wordt opgemerkt dat Christoffel Columbus de ontdekker van Amerika was. Een verwarde Jerom denkt in zichzelf: "Altijd gedacht dat dat Marnix Gijsen was."…

Daarna bekleedde hij tal van overheidsfuncties. Zo was hij kabinetchef van de burgemeester van Antwerpen (1928-1932), kabinetchef van de minister van economische zaken (1932-1937), commissaris-generaal voor het toerisme en adjunct-commissaris voor de Belgische deelneming aan de wereldtentoonstelling (1939-1940). Voor die laatste functie verbleef hij in New York toen de Tweede Wereldoorlog uitnrak. Hij bleef er als hoofd van het Belgian Government Information Centre en als gevolmachtigd minister van België (1959), in welke functies hij vooral als cultureel attaché actief was.

Na de oorlog bleef hij in New York tot 1964. Als "De Stem uit Amerika" verzorgde hij in die periode een wekelijks radiopraatje op zaterdagavond.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog brak hij met de streng katholieke geloofs- en morele waarden waarmee hij was opgegroeid – o.m. bij de Jezuïeten van Sint-Ignatius, waar hij echter in 1917 als strijdbaar flamingant een consilium abeundi kreeg, een aanrading om te vertrekken – en nam een stoïcijnse levenshouding aan. Over zijn verhouding tot het geloof, speciaal het katholicisme, schreef Gijsen de novelle “De afvallige” (1971) en de “Biecht van een heiden” (1971). Ook in “Klaaglied om Agnes” balt Gijsen de vuist tegen God, die dwingeland, die onschuldige meisjes de dood injaagt. Grondtoon van zijn werk blijft steeds ironie, scepticisme en agnosticisme. Opvallend is bovendien zijn heldere en zakelijke stijl.

Ondertussen had hij in 1947 de roman “Het boek van Joachim van Babylon” gepubliceerd. Het boek is gebaseerd op de bekende bijbelse geschiedenis van de kuise Suzanna, symbool van deugd en schoonheid. Gijsen gebruikt dit gegeven echter om het te plaatsen in een contemporaine context en het te behandelen met ironie en scepticisme. In feite beschrijft de roman de mislukking van een huwelijk. Het boek bevat naast toespelingen op historische situaties tal van autobiografische elementen. Ondanks de controverse die het in katholieke kringen opriep vanwege het agnostisch karakter van het boek, beleefde het een groot aantal herdrukken.

Een jaar later verschijnt “Telemachus in het Dorp” dat vrij zeker autobiografisch is.

Daarna volgen tal van romans, novellen en verhalen, waarin Gijsen zowel zijn ervaringen in Amerika verwerkt (“Goed en kwaad” uit 1951, “De kat in de boom” uit 1953 en “Lucinda en de lotoseter” uit 1959), als herinneringen aan zijn familie en aan zijn jeugd. Zo waren “Klaaglied om Agnes” (1951) – waarin hij de mythe van Orpheus en Eurydice werwerkt in zijn liefdesrelatie met de op jonge leeftijd aan de volksziekte van vóór de oorlog, de tuberculose, gestorven Agnes, die in het echt Maria Rooman heette, en voor wie Gijsens liefde heel groot was – en “Onze zuster Alice” uit “Allengs gelijk de spin” (1962) een late en weemoedige verwerking van het vroege overlijden van Gijsens jongste zuster. De feitelijke achtergronden werden door Marnix Gijsen, samen met zijn broer René, onthuld in “Grafzuil voor Agnes” (1979).

Duidelijk geënt op zijn Amerikaanse verleden zijn weer de romans “Harmágedon” (1965), “Het paard Ugo” (1968) en “De kroeg van groot verdriet” (1974).

In april 1968 werd Gijsen gepensioneerd en vestigde hij zich als ambteloos burger in België.

Zijn werk werd vele malen bekroond, met de Belgische Staatsprijs voor verhalend proza in 1957, de Belgische Staatsprijs ter bekroning van een schrijverscarrière in 1969 en de Prijs der Nederlandse Letteren in 1974.

In 1975 werd de schrijver in de adelstand verheven.

 

Het graf van Marnix Gijsen op het Schoonselhof te Antwerpen

 

De Vilvoordse beeldhouwer Rik Poot maakte een bronzen borstbeeld van hem

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s