Vandaag, woensdag 24 juni 2009, is het precies 150 jaar geleden dat op 24 juni 1859 de Slag bij Solferino plaatsvond in de buurt van het dorp Solferino tussen Milaan en Verona ten zuiden van het Gardameer en dit tussen een alliantie van het Franse leger onder Napoleon III dat samen met het Savoys-Sardinische leger onder Victor Emmanuel II tegenover het Oostenrijkse leger stond onder commando van keizer Frans Jozef I. Deze slag resulteerde in een overwinning van de Frans-Sardinische Alliantie.

Meer dan 200.000 soldaten vochten in deze belangrijke slag, de grootste sinds de Slag bij Leipzig uit 1813. Er waren ongeveer 100.000 man Oostenrijkse troepen en een gecombineerd totaal van 118.600 man Franse, Savoyse en Piedmontese-Sardijnse troepen. Na deze slag onthield de Oostenrijkse keizer zich van het directe commando over het leger.

 

Henri Dunant

 

’s Avonds arriveerde de Zwitser Henri Dunant in Solferino. De slag was buitengewoon gruwelijk geweest. Meer dan 38.000 mannen lagen gewond, stervend of dood op het veld, terwijl er maar weinig medische verzorging was.Verslagen van gewonde of stervende soldaten die werden neergeschoten of gespiest met een bajonet aan beide zijden droegen nog bij aan de gruwelijkheden. Dunant was hierdoor zo geshockeerd dat hij zelf het initiatief nam en de bevolking opriep, speciaal de vrouwen, om snel hulp te verlenen aan de gewonden en de zieken. Dit werkte, maar er waren te weinig materialen en Dunant kocht zelf alle materialen die nodig waren om kleine ziekenhuizen op te richten. Hij riep de bevolking vooral op om beide zijden te helpen, dus zowel de Oostenrijkers als de Fransen. Hij deed dit alles met de uitspraak “Tutti fratelli” of in het Nederlands “Wij zijn allen broeders”. De bevolking luisterde naar Dunant en hielp de soldaten, zonder zich druk te maken of het vijanden of vrienden waren. Daarnaast slaagde Dunant erin om Oostenrijkse dokters vrij te krijgen die in gevangenschap genomen waren door de Fransen. Deze konden hem van professionele hulp voorzien, waarna de aantallen slachtoffers snel minder werden.

Nadat hij wegging uit Solferino, en terugkeerde naar Genève, besloot Dunant een boek te schrijven over zijn ervaringen in Solferino. Dit boek, genaamd “Un Souvenir de Solferino”, werd gepubliceerd in 1862 op Dunant’s eigen kosten. In het boek beschreef hij zijn ervaringen van de veldslag en de omstandigheden daarna. Hij beschreef ook het idee om in de toekomst een neutrale organisatie op te richten, die de gewonden verzorgde als er oorlog plaats vond. Hij verspreidde het boek vooral onder leidende politieke en militaire mensen in Europa. In de hoop dat zij het met hem eens zouden zijn.

Hierna begon hij door Europa te reizen om zijn ideeën te promoten. Zijn boek werd meestal positief ontvangen en de president van de Geneveese vereniging voor socialiteit en welvaart maakte het boek en de suggesties die daarin stonden hét thema op de bijeenkomst van de organisatie in 1863.

 

Comité van Vijf

 

Dunant’s suggesties werden zeer positief ontvangen door de leden. Op 9 februari 1863 richtten Dunant, Gustave Moynier, generaal Henri Dufour, Louis Appia en Théodore Maunoir – die beiden dokter waren – in Genève het “Comité van Vijf” op, dat acht dagen later, op 17 februari 1863, de naam “Internationaal Comité van Hulpgenootschappen van Verpleegkundigen van Gewonden” kreeg. Henri Dufour werd de eerste voorzitter. De naam en het embleem werden afgeleid van de Zwitserse vlag. Deze vlag, een rode achtergrond met een wit kruis, had Dunant omgedraaid om er het Rode Kruis van te maken. Dit omdat Zwitserland, net als het Rode Kruis, altijd al neutraal was geweest in internationale conflicten.

Vanaf begin af aan, hadden Moynier en Dunant conflicten over verschillende zaken. Dunant wou bijvoorbeeld dat hulpverleners altijd neutraal waren en het liefst niet afkomstig uit een van de landen kwamen die meededen aan de oorlog. Moynier was hierop tegen, omdat hij dacht dat er anders nooit genoeg mensen beschikbaar waren. Dunant echter luisterde niet naar deze argumenten en zette zijn ideeën door. Moynier begon hierna een directe aanval op Dunant.

Tussen 26 en 29 oktober 1863 namen veertien landen – Baden, Beieren, Frankrijk, Groot-Brittannië, Hannover, Hessen, Italië, Nederland, Oostenrijk, Pruisen, Rusland, Saksen, Zweden en Spanje – deel aan een bijeenkomst in Genève, die georganiseerd was door het comité. Hier praatten zij over de verzorging van gewonde soldaten en hoe deze verbeterd kon worden.

Op 29 oktober 1863 eindigde de conferentie en keurden ze het voorstel van Henri Dunant goed om verenigingen van vrijwillige hulpverleners op te richten. Deze datum kan beschouwd worden als de geboortedag van het Internationale Rode Kruis.

 

Conventie van Genève

 

Tijdens de Slag van Dybbøl in Denemarken op 18 april 1864 waren Louis Appia en Charles van de Velde de eerste onafhankelijke en neutrale afgevaardigden van het Rode Kruis in een gewapend conflict.

Vijf jaar na de Slag bij Solferino werd op 22 augustus 1864 tijdens een diplomatieke conferentie – georganiseerd door het Zwitserse parlement en voorgezeten door generaal Henri Dufour –het Rode Kruis formeel opgericht.

Kort hierop werden in o.a. België, Denemarken, Frankrijk, Oldenburg, Pruisen, Spanje en Württemberg al nationale comités opgericht.

In 1876 werd de naam van het Comité gewijzigd in het “Internationale Rode Kruis”. In datzelfde jaar werd voor het eerst een Rode Halve Maan gebruikt in de Russisch-Turkse oorlog. De Rode Halve Maan werd later door heel wat andere islamitische landen overgenomen. In 1929 werd dit als tweede embleem door de Staten in de Verdragen van Genève erkend.

Omdat hij zoveel aandacht besteedde aan zijn ideeën, lette Dunant zo weinig op zijn bedrijven dat deze er ernstig onder leden en hem tot het bankroet leidden. Daarop stapte hij ook uit het comité en droeg zijn functie over aan Moynier die

zijn best deed om er voor te zorgen dat Dunant geen hulp kreeg van zijn vrienden en van andere organisaties. Dunant vertrok naar Parijs, waar hij in arme omstandigheden leefde. Na ontmoetingen met Rudort Müller en Wilhelm Sonderegger en diens vrouw Susanna begon Dunant er financieel weer boven op te komen.

In september 1895 schreef Georg Baumberger, de hoofdredacteur van de krant Die Ostschweiz, naar aanleiding van een ontmoeting met Dunant eerder die maand het artikel “Henri Dunant, de stichter van het Rode Kruis”. Dit artikel verscheen al snel in andere weekbladen in heel Europa en zorgde ervoor dat mensen weer aan Dunant gingen denken en hem de nodige hulp boden. Hierdoor verbeterde zijn situatie aanzienlijk.

In 1897 schreef zijn vriend Rudolf Müller een boek over de beginselen van het Rode Kruis, die Dunant’s rol beter naar voren bracht en Moynier naar de achtergrond verplaatste. Dit boek bevatte ook alle teksten uit het boek “Un Souvenir de Solferino”.

In 1901 kreeg Dunant de allereerste Nobelprijs voor de Vrede uitgereikt voor zijn rol in de oprichting van het Rode Kruis en de Conferentie van Genève. De officiële reden van het comité om Dunant deze prijs te geven werd beschreven in een brief die hij thuis ontving, en die Dunant’s reputatie beschreef: “Er is geen man die meer eer verdient, als dat U het was, die veertig jaar geleden de beginselen schepte voor een internationale organisatie die zorgt voor de gewonden op het slagveld. Zonder U zou het Rode Kruis, dat de grootste menselijke prestatie van de negentiende eeuw genoemd mag worden, zeker niet mogelijk zijn geweest”.

Dunant stierf op 30 oktober 1910, twee maanden na de dood van zijn grote rivaal Moynier (21 augustus 1910). Hij werd begraven op de begraafplaats van Sihlfeld in Zürich.

 

Graf van Henry Dunant in Zürich

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s