Vandaag, donderdag 1 januari 2009, is het precies 110 jaar geleden dat er op 1 januari 1899 een einde kwam aan bijna vier eeuwen Spaanse overheersing in Cuba.

 

In 1492 werd Cuba ontdekt door Christoffel Columbus. In 1511 begint de Spaanse verovering van het eiland en wordt het een Spaanse kolonie.

In de jaren negentig van de 19e eeuw begonnen Cubaanse opstandelingen uit onvrede over het Spaanse koloniale bewind een guerrillastrijd met als inzet een onafhankelijk Cuba. Om de opstand de kop in te drukken werd de plattelandsbevolking massaal naar de grotere dorpen en steden gedreven, om daar in afgegrendelde concentratiekampen te leven. Wie zich verzette kreeg de kogel. De gedwongen volksverhuizing betekende echter ook de nekslag voor de landbouwproductie, zodat de voedselvoorraad zienderogen slonk. In de kampen bezweken 20.000 mensen aan honger en ziekte.

De gebeurtenissen op Cuba haalden in de Verenigde Staten al gauw de voorpagina’s van de kranten, die met schreeuwende en vette koppen de wantoestanden op Cuba aan de kaak stelden. Berichten over de rampzalige concentratiekampen wekten alom afschuw en sterkten veel Amerikanen in hun overtuiging dat het kolonialisme had afgedaan: de opstandelingen hadden recht op een onafhankelijk Cuba.

 

Explosie van het slagschip Maine

 

In 1898 escaleerde de Cubaanse crisis. Op 15 februari 1898 explodeerde het Amerikaanse slagschip USS Maine – dat op bevel van president McKinley naar Cuba was gestuurd om Amerikaanse staatsburgers te evacueren als de situatie op het eiland uit de hand zou lopen en daar nog geen maand eerder was aangekomen – in de haven van Havana nadat het – zo werd beweerd – op een Spaanse mijn was gelopen. 266 bemanningsleden kwamen om het leven.

Dit incident deed de roep om interventie alleen maar luider klinken.

 

William McKinley

 

President McKinley zag daarom geen andere mogelijkheid dan het Congres om een oorlogsverklaring te vragen. Op 20 april 1898 verleende het Congres de president toestemming om met geweld te interveniëren. Bovendien werd in het Teller-amendement – ingediend door senator Henry Moore Teller- vastgelegd dat de Amerikaanse interventie niet mocht uitdraaien op annexatie van Cuba.

Lang duurde de oorlog niet, want zowel de Spaanse vloot als de koloniale troepen bleken geen partij voor het veel modernere Amerikaanse leger. Op 1 juli 1898 omsingelden Amerikaanse soldaten de heuvels rondom de stad Santiago en kruisers blokkeerden de haven, waarna de ingesloten Spaanse vloot tijdens een ontsnappingspoging werd getorpedeerd. Twee weken later gaf Santiago zich over aan de Amerikanen.

Ook veroverden de VS – nadat de Spaanse vloot in de haven van de hoofdstad Manilla op 1 mei 1898 tot zinken was gebracht – de Filippijnen op de Spanjaarden, evenals Guam en Puerto Rico. Binnen drie maanden was de strijd beslecht.

President McKinley stond nu voor een dilemma. Moesten de Amerikanen de zwaarbevochten Spaanse kolonies weer uit handen geven of als oorlogsbuit behouden? Het Teller-amendement maakte annexatie van Cuba onmogelijk, maar de Amerikanen kwamen tijdens de vredesonderhandelingen in Parijs, die in oktober van start gingen, toch met harde eisen aanzetten: Puerto Rico en de Filippijnen moesten in ruil voor een afkoopsom Amerikaanse kolonies worden. De Spanjaarden zagen geen andere mogelijkheid dan de twee gebieden uit handen te geven, terwijl Cuba een onafhankelijke staat werd.

Spanje kwam als grote verliezer uit de strijd. De Spaans-Amerikaanse oorlog ruimde de laatste resten op van het eens zo machtige Spaanse imperium. Tegelijk verschenen de Verenigde Staten als nieuwe imperiale mogendheid ten tonele.

 

De Amerikanen behielden in Cuba een vinger in de pap en grepen meerdere malen militair in.

 

Fulgencio Batista

 

Als Fulgencio Batista (1901–1973) in 1952 voor de tweede keer dictator van het land wordt en Havana onder zijn bewind een echte gokstad wordt waar prostitutie hoogtij viert en de georganiseerde misdaad, met name de Amerikaanse maffia (o.a. Meyer Lansky), de dienst uitmaakt, begint de revolutionair Fidel Castro een opstand. Deze mislukt en Castro wordt gevangengezet.

 

Fidel Castro

 

Nadat Batista in 1954 wordt verkozen na schijnverkiezingen waarin hij de enige officiële kandidaat is, is hij zo zeker van zijn macht dat hij Fidel Castro en zijn vrienden vrijlaat. Als enkele dagen later de geruchten circuleren dat Batista’s politie op zoek is naar Fidel en zijn makkers om ze te liquideren verlaten deze Cuba en gaan naar Mexico.

Op 2 december 1956 landen Fidel Castro en 81 companen, onder wie zijn broer Raúl Castro, Che Guevara en Camilo Cienfuegos aan boord van het jacht de Granma op de zuidkust van Cuba. Dit gebeurt na een zevendaagse, moeilijke tocht over zware zee vanuit Tuxpan in Mexico.

De strijd in en rond de Sierra Maestra, waar Castro zich lang schuil houdt, zal nadien nog twee jaar duren.

In mei 1958 stuurt Batista een troepenmacht van 10.000 soldaten de bergen in om de Castristen uit te schakelen. Het tegendeel gebeurt. Tegen de zomer van 1958 is de legermacht verslagen en wordt het grootste deel van hun uitrusting buit gemaakt. Dit betekent een definitieve ommeslag in de campagne.

 

 

Che Guevara en Camilo Cienfuegos

 

Na verschrikkelijke voettochten weten Che Guevara en Camilo Cienfuegos met hun colonnes twee nieuwe fronten te openen in de provincie van Las Villas. Belangrijke slagen worden gewonnen in Guisa en in de Sierra del Escambray. Op 28 december 1958 overmeesteren Che Guevara’s troepen een gepantserde trein in Santa Clara, en op 30 december wint Camilo Cienfuegos een beslissend gevecht in Yaguajai. Op 30 december zijn de gevechten voorbij.

In de nieuwjaarsnacht van 1 januari 1959 – 60 jaar nadat Cuba zich onafhankelijk kon maken van Spanje en vandaag precies 50 jaar geleden – ontvlucht Batista Havana.

In de loop van de dag tekent het leger van Batista de capitulatie in Santa Clara. Guevara en Cienfuegos trekken op 2 januari Havana binnen, op 8 januari vervoegt door Castro. De zege van de Cubaanse Revolutie is een feit.

 

Minder dan een jaar na de overwinning op 28 oktober 1959 is Camilo Cienfuegos , onder volgens sommigen verdachte omstandigheden, verdwenen tijdens een Cessna vlucht in slecht weer tussen Camagüey en Havana. Zijn vliegtuigje werd ondanks een snel opgezette reddingsactie nooit terug gevonden.

Che Guevara wordt op 9 oktober 1967 in Bolivia geëxecuteerd.

 

Raúl Castro

 

Op 1 augustus 2006 wordt bekendgemaakt dat Castro zijn bevoegdheden tijdelijk aan zijn vijf jaar jongere halfbroer Raúl heeft overgedragen. Castro leed aan inwendige bloedingen en werd aan zijn darmen geopereerd.

Op 15 augustus 2006 worden beelden getoond waarbij Castro al aan de beterhand is. Castro laat op 20 januari 2007 aan de Venezolaanse president Hugo Chávez, zijn naaste bondgenoot, de boodschap overbrengen dat hij voor zijn leven vecht. Op 22 september 2007 geeft Castro een interview aan de Cubaanse televisie, waaruit blijkt dat hij weer aan de beterhand is.

Op 19 februari 2008 wordt bekend dat Castro geen nieuwe ambtstermijn ambieert. Op 24 februari 2008 wordt Raúl door het Cubaanse parlement tot nieuwe president verkozen.

Fidel Castro is 82 jaar oud.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s